Een kerstvertelling
22/12/2009
Een kerstvertelling
 Hij weet alleen dat hij haar verschrikkelijk mist. Zeker rond de donkere dagen, wan¬neer hij alleen in zijn bouwvallige huisje in de Visbuurt zit en de eenzaamheid hem meer benauwt dan ooit. Voetje voor voetje schuifelt Kobus naar de gebakafdeling, waar het water hem in de mond loopt. Verse boterletter met Kerstmis? Hoe lang is het niet geleden, dat hij zoiets voor het laatst geproefd heeft? In een lange rij wachten de vrolijk winkelende mensen op hun beurt.
Eenmaal aan de beurt, sommen zij vele heerlijkheden op, die dan door de verkoop¬sters worden aangereikt in plastik draag¬tassen, versierd met kerstbomen. Het geld rolt en rolt. Uit zijn achterzak haalt Kobus een zwaar verschoten leren portemonnee. Tien guldens is het enige wat hij nog heeft. Hij moet er nog één hele week mee toe. Een AOW'tje is géén vetpot. Kobus haalt een plat flesje jajem uit zijn met vuil besmeurde regenjas, schroeft de dop eraf en neemt een stevige slok. Ach, was Marie er nu nog maar, dan had hij van dat tientje een ma¬kreel en een brood gekocht. Als het even kon nog een pakje roomboter, dan was zijn kerstavond ook nog goed.

Mensen kijken Kobus misprijzend aan en zelfs de beveili¬gingsbeambte, die speurend rondkijkt naar iets wat mogelijk als een misdrijf betiteld kan worden, haalt zijn neus op, en over¬weegt Kobus buiten de zaak te zetten. Bij de tijdschriftenafdeling staat een groepje Het is de dag vóór Kerst. In de warenhuizen heerst op en top de kerstsfeer. Winkelende mensen zorgen voor een gezellige bedrijvigheid en de lucht is beladen met een gevoel van "Vrede op aarde en in de mensen welbehagen".

Kobus, een gezette, sjofel geklede zestiger loopt de winkel binnen. Even deinst hij terug, alsof die gezellige drukte hem zal wurgen, maar na een korte aarzeling schuifelt hij de winkel binnen. Bijna kerstavond. Mensen doen hun laatste inkopen, om daarna met familie in kleine kring het kerstfeest te vieren. Kobus niet. Hij heeft niemand meer. Zijn vrouw, het goede mens, is al vele jaren geleden gestorven. Hoe lang geleden weet Kobus niet meer. Hij kijkt glimlachend naar een groepje kinderen, dat onder de bezielende leiding van een wat pinnige vrouw kerstliederen ten gehore brengt. "Stille nacht, heilige nacht, David's Zoon, lang verwacht" klinkt zacht uit de kindermondjes. Kobus vindt het mooi. Ontroerd kijkt hij even, en haalt ver¬volgens het flesje weer uit zijn zak. "Mooi hé, Marie?" lispelt hij. Geen antwoord.

Een groepje opgeschoten jongeren rent luid¬ruchtig de roltrap af en baant zich een weg naar buiten. In het voorbijgaan botst er één tegen Kobus op, die nog ternauwernood op de been kan blijven. "Hé, kan je niet uitkijken ouwe!" schreeuwt er één, die een gebaar maakt alsof hij wil slaan. Kobus krimpt ineen en als hij opkijkt staat de beveiligingsbe¬ambte naast hem. Hoewel Kobus zich van geen kwaad bewust is, wordt hem zacht doch dringend verzocht de zaak te verla¬ten. Kobus begrijpt dat er niets anders op zit. En terwijl hij zich een weg zoekt naar de uitgang, verdraagt hij vele misprijzende blikken van de winkelende mensen om hem heen. Buiten sneeuwt het. Dikke vlokken zijgen neer op een dik wit tapijt. Kobus kruipt dieper in zijn jas en steekt de straat over. De geur van verse vis bereikt zijn neusgaten. Bij de viswinkel voelt hij in zijn jas en bemerkt dat zijn portemonnee weg is. Kobus snikt. "Ach waarom nou?". Diep bedroefd vervolgt hij zijn weg door de kou¬de naar huis. Kobus is moe. Ontstellend moe. De wind snijdt door zijn jas en hij loopt verkleumd door een flauw verlichte steeg. Halverwege leunt hij tegen de muur en spitst zijn oren, alsof hij iets hoort. Zachtjes klinkt het geluid van kerkklokken. Het geluid wordt harder en harder en terwijl ontelbare vlokken sneeuw de aarde wit kleuren, wordt Kobus bevangen door een onbe¬schrijfelijk gelukzalig gevoel. Het geluid van de klokken wordt sterker, alsof duizen¬den engelen de komst van het kerstkind op¬nieuw verkondigen. Met een ruk kijkt Ko¬bus naar boven. Tussen de neerdalende sneeuwvlokken ziet hij de gestalte van haar, die hij zo lief heeft. Haar lange bruine haren hangen over haar schouders en haar ogen kijken lief . . . zo lief . .. In die ontstellende liefde ontmoet hij haar en Ko¬bus snikt: "Marie... Langzaam maakt de gestalte in de lucht zich los en strekt haar armen uit naar Kobus. Met een laatste krachtsinspanning steekt Kobus zijn oude armen naar haar uit. "Marie ... ". En uit de lucht vallen sneeuwvlokken . . . hon¬derden ... duizenden ... miljoenen. . .

(geschreven in 1984, gepubliceerd in diverse bladen waaronder het maandblad City dat destijds huis aan huis verscheen)