Stilte
09/07/2010
Stilte
Ik was erbij toen mijn vader stierf. In de vroege ochtend van de nacht van 9 op 10 juli 2000 waakten mijn broers, mijn zuster en ik beurtelings bij mijn stervende vader. Ik herinner mij nog heel levendig hoe mijn broer Johan het heft in handen nam en mij in een soort van rolstoel dicht tegen zijn bed aan zette zodat ik zijn hand kon vasthouden.
Mijn vader zat rechtop in bed en was ver weg. Hij ademde zwaar, vechtend tegen de dood. Zou hij het nog merken? Ik denk dat ik niet veel langer dan een half uur bij hem was, toen zijn adem definitief stokte en hij stierf. Zijn linkerhand in de mijne.
Het was een vreemd maar tevens mooi moment. Mijn vader die sterft en het leven doorgeeft aan mij.

In mijn nog niet uitgegeven roman "Sombere Zielen" uit november 2009 heb ik het sterven van mijn vader beschreven.

Maurits Lindeboom stierf toen Evert 45 jaar was, nu bijna tien jaar geleden. Het sterven van zijn vader beschouwde Evert naast de dood Miranda als het meest ingrijpende dat hij ooit had meegemaakt. Zijn vader speelde door de jaren heen een belangrijke rol in zijn leven. Vader en zoon waren vrienden waaraan soms niet was te zien wie nu de rol van de vader en wie de rol van de zoon vervulde. Het was Herman die na de dood van Maurits Lindeboom, Evert er weer bovenop heeft geholpen.

Na de dood van de oude Lindeboom was moeilijk te bepalen wie nu een belangrijker rol in het leven van Evert had. Herman of Lindeboom. Evert zelf scheen het niet uit te maken. Zijn vader vormde dikwijls een deel van zijn geweten, terwijl Herman vaak genoegen nam met de rol van boodschapper of toehoorder. Maar er ging geen dag voorbij of Evert dacht wel even aan zijn vader. En soms ook droomde hij van hem. Soms speelde de vader een rol op de achtergrond, en soms ook voltrok het stervensproces zich opnieuw.

Dan zag hij zijn stervende vader rechtop in bed, zitten gesteund door de kussens die moesten voorkomen dat hij weg zou zakken. Zijn altijd gladgeschoren gelaat zag er stoppelachtig uit en zijn mond hing half open waardoor zijn kunstgebit voortdurend heen en weer zakte op de cadans van de ademhaling die steeds zwaarder werd. Hij had het erg benauwd door het vocht waarin hij uiteindelijk zou verdrinken. Evert vroeg zich af of zijn vader nog iets kon begrijpen of voelen. Hij was in slaap gebracht om niet meer wakker te worden. Hij wilde niet meer, hij was helemaal op.
Nauwgezet nam Evert alles in zich op, alsof hij dit voor de eerste keer zag. Hoe vaak had hij dit moment opnieuw beleefd? Hij wist dat het onvermijdelijke weer zou komen. De ademhaling, zwaar en reutelend, zou op een gegeven moment stoppen om na een seconde of vijftien weer rochelend op gang te komen, vechtend om het leven. De geur van medicijnen die door het zweet van de stervende man door zijn poriën zijn lichaam leken te verlaten, hing als een zware walm in de kleine ziekenhuiskamer. Evert keek indringend naar het gelaat van zijn vader en probeerde zijn blik indringender en nog intenser te beleven dan de vorige keer.

Ze hadden geen afscheid genomen van elkaar, en alles wat tussen vader en zoon gezegd had moeten worden, was gezegd. Dit laatste stuk van de aardse reis maakten ze zwijgend samen, de vader moeizaam vechtend voor het laatste stuk dat hij nog moest gaan, en Evert stil en ingetogen, zich ervan bewust dat hij zijn vader uiteindelijk verliezen zou.

Hoe dikwijls was hij tijdens zijn leven niet bang geweest van het beeld van een stervende vader? Vele malen was Evert met een ruk rechtop in bed gaan zitten, als tijdens het nachtelijk uur de telefoon ging en hij vervolgens naar het ziekenhuis snelde om zijn vader bij te staan. Hij zag het als zijn taak om als zoon de leiding te nemen over de situatie die op zo’n moment niemand meester was. Hij vond het tot zijn verantwoordelijkheid horen om zijn vader de laatste momenten van zijn leven te geven, wat eigenlijk een geliefde had moeten doen.
Evert realiseerde zich dat zijn vader en hij in de loop der jaren vrienden waren geworden. Het gevoel ging in de overtreffende trap zelfs zover, dat hij zijn vader en zichzelf als zielsverwanten zag.

Dankbaar voor dit gevoel probeerde hij het zweet van zijn vaders gezicht te wissen, maar te bang om het moment te verstoren trok hij zijn hand terug. En net als toen, in de nacht van het grote sterven pakte hij met zijn linker hand de linkerhand van zijn vader en ging achterover in de stoel zitten die aan eveneens de linkerzijde van het bed stond. Zachtjes streelde de Evert de warme hand van zijn vader en keek naar de dunne huid. De knokkels van de vingers waren door de jicht vergroeid, de nagels lang, maar niet te lang. Evert vroeg zich af hoe snel en hoe lang het hart van zijn vader nog kloppen zou en constateerde dat dit nog maar dertig maal per minuut was. In zijn hoofd hoorde hij het onstuimige kloppen van zijn eigen onrustige hart. Als hij toen had kunnen weglopen, had hij het gedaan, maar hij was in zijn leven te vaak weggelopen. Vanaf nu zou hij nooit meer weglopen, wist hij. Even later stopte de ademhaling van zijn vader om niet meer terug te keren.
De eerste keer dat Evert dit droomde, was hij dagenlang van slag. Maar hij had geleerd er het mooie van te zien. Hij zei ooit tegen Herman: “Veel mensen vinden hun trouwdag of de geboorte van hun kinderen het mooiste moment van hun leven. Dit genoegen ken ik niet, maar als je mij naar zo’n moment vraagt, dan vind ik het sterven van mijn vader een mooi moment wat hiervoor in aanmerking komt.”