Sombere zielen
08/11/2009
Sombere zielen
Evert is een man van middelbare leeftijd die vol zit met vragen over het hoe en waarom van zijn eigen leven. Door middel van het schrijven van brieven aan zijn niet bestaande vriend Herman en door gesprekken met zijn moeder, probeert hij naar evenwicht te zoeken. Na het herstel van een verloren gewaande vriendschap ontstaat er heel langzaam een wankel evenwicht waarin Evert leert afstand te nemen van zijn angsten waardoor er ruimte komt voor eigen denkbeelden die de basis vormen van wezenlijke bevrijding
FRAGMENT UIT HET BOEK

Evert fietste naar het strand om na te kunnen denken. Tot nu toe was nog niet in hem opgekomen om haar gewoon op te bellen. Dat was waarschijnlijk een even simpele als doeltreffende benadering geweest, maar wel een benadering die niet zo goed bij hem paste. Hij was een dromer die weliswaar erg confronterend en direct kon zijn naar anderen toe, maar zichzelf het liefst pijnigde met het zoete gevoel van de mogelijke afwijzing. En als de afwijzing dan toch moest komen, dan maar lang genieten van het gevoel van dat wat had kunnen zijn. So sad the song of what might have been.

Bij het strandopgang aangekomen zette hij zijn fiets tegen het prikkeldraad, groette een paar voorbijgangers en liep in de richting van het strand.
Het was weliswaar fris, maar zonnig en volkomen windstil.

Bovenop de standopgang keek hij naar een troep meeuwen die krijsend boven iets cirkelden dat op het strand lag.
En toen zag hij haar. Ze was nog erg ver, maar hij herkende haar meteen. Daar liep Judith. Hij zuchtte en voelde zich warm worden. Hij wilde haar aandacht trekken, maar durfde niet. Dat hoefde ook niet, want ze had hem al gezien. Ze versnelde haar pas en boog af in de richting waar hij stond. Ook Evert kwam nu in beweging en daalde de standopgang af en liep haar tegemoet.

Toen ze even later tegenover elkaar stonden bonsde zijn hart zo snel, dat hij even bang was dat hij tegen de vlakte zou gaan. Gretig absorbeerde hij de kracht die ze uitstraalde en kon alleen maar naar haar kijken. Twee helderblauwe ogen keken hem lachend aan.
“Wat leuk” zei ze, waarop hij intuïtief reageerde door zijn armen om haar heen te slaan en haar voorhoofd te kussen. Ze beantwoorde zijn omhelzing, maakte zich toen los, streek hem door zijn haar, knoopte zijn sjaal opnieuw en zei alleen: “Gekke jongen.” Toen haakte ze haar arm in de zijne en liep samen met hem de strandopgang op.

Volg hier de vorderingen van het boek.